Inlogformulier

Kalender

metserweiWie ons 'Groot woordenboek der Nederlandse Taal' ofwel 'de dikke van Dale' er op naslaat, zal vruchteloos naar het woordje 'metser' zoeken. Wel zal hij ergens in de buurt daarvan de trefwoorden metselaar, metselen en metsen vinden. 'Metsen' blijkt de Belgisch-Nederlandse spreektaalvorm van 'metselen' te zijn. Metsen in plaats van metselen wordt weliswaar regelmatig gebruikt in België, maar het is daar toch geen standaardtaal.

Het is vooral in het gesproken taalgebruik gangbaar en het wordt ook in onze omgeving, in de Kempen, zo dicht bij de grens met België, regelmatig gebezigd. In de spreektaal wordt een muurtje dus niet gemetseld maar gemetst en is de ambachtelijke maker daarvan geen metselaar maar een metser.

Metsen en metser zijn dus een andere vorm van, maar hebben dezelfde betekenis als, metselen en metselaar. Men noemt deze vorm een iteratief of herhaalwerkwoord. Metselen is het iteratief van metsen en metselaar van metser. Dit verschijnsel, het door middel van een bepaalde woordvorm uitdrukking geven van een zich voortdurend herhalende handeling, komt vrij regelmatig voor. 

Meestal wordt er dan, om het iteratieve karakter van de genoemde handeling uit te drukken, tussen de stam van het werkwoord en de uitgang '-en' het  tussenvoegsel '-el' of '-er' geplaatst. Andere voorbeelden van zo'n werkwoord van herhaling zijn bijvoorbeeld: hakkelen voor 'vaak hakken', trappelen voor 'veel  trappen', stuiteren en stotteren voor 'regelmatig stuiten', respectievelijk stoten.  Soms zijn de woorden van zo'n koppel zo ver uit elkaar gegroeid dat het verband ertussen nog maar moeilijk te zien is zoals bij bibberen en beven of bij wandelen en wenden. Zwengelen, murmelen en mompelen zijn zelfs iteratieve vormen waarvan de oude grondvorm van het werkwoord helemaal uit de standaardtaal is verdwenen.

metselaar-etsEen metser of metselaar is dus een vak- of ambachtsman die bakstenen of blokken natuursteen metselt. Dat het werk van een metselaar veel precisie en nauwkeurigheid vereist omdat het muurtje niet helemaal recht wordt als je je werk laat versloffen, moge blijken uit het onderschrift bij de ets van Jan Luyken over De Metselaar.

Om dit werk goed te kunnen doen beschikt de 'metser' over een diversiteit aan gereedschap. Een metseltroffel, om de specie mee op de reeds gemetselde laag te spreiden tijdens het metselen. Troffels zijn er voor zowel links- als rechtshandigen. Een voegspijker dient om de voegspecie tussen de voegen mooi af te werken.

Ook onmisbaar zijn een kaphamer, aan de ene kant voorzien van een vierkant vlak en aan de andere kant van een gebogen gedeelte dat enigszins op een beitel lijkt, wat metseldraad, een waterpas, duimstok, timmermanspotlood, schietlood en een klauwhamer terwijl ook een bats, stoffer en nijptang goed van pas kunnen komen.

Het woord 'metser' in 'Metserwei' is dus een bijzondere vorm van het meer algemene woord metselaar en misschien heeft de straatnamencommissie toentertijd pas na rijp beraad gemeend deze bijzondere benaming van dat ambacht in de wijk Schepelweyen te moeten gebruiken. Of wellicht vond de commissie simpelweg dat 'Metserwei' beter klonk dan 'Metselaarwei'.

Wie zal het zeggen?

terug-knop